In 1934 begon bij Krupp ook de ontwikkeling van het K12 kanon. Dit kanon was gebaseerd op het zogenaamde ,,Paris – Geschütz” uit de Eerste Wereldoorlog. Parijs werd toen beschoten met dit langeafstandsgeschut. Een van de missies van het K12 spoorweggeschut zou het beschieten van Engeland zijn, maar deze rol werd al snel overgenomen door de bommenwerpers van de Luftwaffe.

In totaal zijn er 2 stuks K12 spoorweggeschut gebouwd. Het eerste geschut ,,K12 V” werd in 1939 overgedragen aan het leger. Het tweede geschut ,,K12 N”, een verbeterde versie werd in 1940 bij de troepen ingevoerd. Het K12 spoorweggeschut had een kaliber van 21,1 cm en kon 6 schoten per uur afvuren. Er werd een Sprenggranate van 107,5 kg afgevuurd. De granaat bevatte 8 kg springstof. Met een aandrijflading van 241 kg, verdeeld over een huls als hoofdlading en twee of drie kardoezen als bijlading, werd een aanvangssnelheid bereikt van 1625 meter per seconde. Bij de maximale elevatie van de loop op 55 graden kon de granaat dan 115 km ver weggeschoten worden.

De terugslag van het K12 spoorweggeschut werd ondermeer opgevangen door een hydropneumatisch systeem. De loop van het geschut had een lengte van 33,3 m en het gewicht bedroeg 99,7 ton. Deze loop werd door beugels ondersteund om doorbuigen onder het eigen gewicht te voorkomen. De totale lengte van de wagon met het K12 spoorweggeschut bedroeg 41,36 m en het totaalgewicht, in vuurstelling, was 302.000 kg. Het enorme kulas van het kanon diende tevens als contragewicht voor de lange loop.
De wagon van de K12 had een draaistel met twee maal vijf assen voor en twee maal vier assen achter. Op deze draaistellen rustte een onderstel als tussendrager en daar bovenop rustte het affuit van het kanon. Door middel van een hydraulische constructie tussen het onderstel en het affuit, kon het affuit 1 meter omhoog gebracht werden. Dit was noodzakelijk voor de bodemvrijheid bij het afvuren van het kanon. Bij terugslag van de loop bestond anders het gevaar dat de bodem of rails werd geraakt. Het laden van de K12 kon alleen gebeuren met neergelaten affuit, het afvuren alleen bij omhoog gebracht affuit. Dit was voor de kanonniers een omslachtige manier.

Het K12 spoorweggeschut kon afgevuurd worden vanuit een curve in een spoorweg, om zo iets meer bereik in de zijrichting naar links of rechts te krijgen. Een andere manier om een groter bereik in de zijrichting te krijgen, was om gebruik te maken van een kunstmatige kruising van de spoorweg. Hierbij werd door een kraan een speciaal voor dit doel gemaakt spoorstuk, loodrecht op de bestaande spoorweg geplaatst. Vervolgens werd de K12 deze kruising opgereden en opgetild zodat het voorste draai- en onderstel 90 graden ten opzichte van het achterste draai- en onderstel kwam te staan. Het verplaatsen van het geschut gebeurde daarna met het elektrisch aangedreven draaistel of met een locomotief. Bij het afvuren van het kanon stond het geschut aan de spoorweg vastgeklemd. Deze manier werd alleen bij het K12 spoorweggeschut gebruikt. Een schootsveld van 360 graden werd verkregen door gebruik te maken van de ,, Vögele draaischijf”. Behalve een omvangrijke trein, voerde de K12 batterij ook altijd de kraanwagen en het speciale spoorstuk mee.